Herinneringen uit de mobilisatiedagenen de oorlog over Nederland

‘Herinneringen uit de mobilisatiedagen en de oorlog over Nederland’ is de titel van een twaalf pagina’s tellend verslag, dat onlangs aan Tresoar is geschonken. Het document is – waarschijnlijk in de zomer van 1940 – geschreven door Steffen Stoker uit Duurswoude.

Het gehele document is ook te vinden op de website Wijnjewoude.net. Gepubliceerd op de website van Tresoar op 6 mei 2025.

Steffen Stoker is de oom van Ruurd van der Woude en de pake van Ymie Nijboer. De 12 pagina’s geschreven tekst is uitgetypt door Durk van der Veen waarbij de oude spelling zoveel mogelijk is behouden. (noot de Bân). De destijds 32-jarige Steffen werd op 28 augustus 1939 – net als 200.000 andere jongemannen – opgeroepen in het kader van de mobilisatie van de strijdkrachten. Hij vertrok die maandag met de tram naar Heerenveen, en vandaar per trein naar Utrecht. In de Domstad werd Steffen eerst ondergebracht in een joodse school.

Opvallend in het verslag is het grote aantal verhuizingen tijdens de acht maanden durende mobilisatieperiode. Hij bivakkeerde achtereenvolgens in de oude, Utrechtse forten Hoogdijk (waarschijnlijk is hier Fort ‘Aan de Hoofddijk’ bedoeld), Rijnauwen, Vechten en De Bilt. Veel beleefden ze niet, met uitzondering in laatstgenoemd fort ‘want de drukke verkeersweg van Utrecht naar Zeist en Amersfoort liep er tusschendoor. Daar zag je door de dag wel duizend auto’s rijden, een gekrioel in elkaar om. ’t Was om er gek van te worden.’

Steffen maakte deel uit van een mitrailleurcompagnie en vervulde daarin de functie van afstandmeter. Een dag na de Duitse inval op 10 mei 1940 kreeg zijn bataljon het bevel naar Rotterdam te verkassen. ‘Dat was een klap die we kregen, want we wisten dat de vijand Rotterdam al genaderd was’. In de Maasstad ervoer hij meteen de volgende dag, Pinksterzondag, de verschrikkingen van de oorlog. De bommen die door de Duitse vliegtuigen werden afgeworpen maakten meerdere slachtoffers. ‘Een kwam zoodanig op de straat terecht dat eenige soldaten en onze commandeerende Kapitein Brouwer gesneuveld werden. (…) Van onze kapitein waren eenige lichaamsdelen afgerukt. Sommige van de jongens kon je niets aan zien, ze zijn door de geweldige druk tegen de straat gesmakt, en op ’t slag gedood. Dat was verschrikkelijk zoo’n schouwspel te aanzien. Je stond erbij te sidderen, en de koude rillingen gingen je door merg en been. ’

Tijdens het verplaatsen van de compagnie deden de militairen een bijzondere ervaring op. Op onze tocht zoo door de stad werd ons door de bewoners van alles gegeven, ’t was haast net of ging je langs een loopende band: sigaren, sigaretten, bonbons, brood en andere eterij, alles kon je maar krijgen. We hadden al gauw onze broodzak vol met dat alles. Maar tegen de middag werden alle giften van de burgerij verboden, daar er sprake was dat er vergiftige sigaretten en bonbons in omloop waren.’ Op dinsdag 14 mei was Steffen getuige van het grote bombardement op de stad. ’t Was allemaal vliegtuigen toen op een moment telden we 75 tegelijk boven de stad. De bommen werden als een regen op de bevolke stad afgeworpen. ’t Was een lawaai zoo ooit iemand zich kan indenken. Je hoorde de bommen ontploffen en ’t donderend geluid van ’t instorten van de gebouwen. Ontzettende panieken moesten hier een rol spelen, in zoo’n open stad. Duizenden hebben hier hun leven moeten laten. Ja, men sprak zelf van 30.000 dooden (…)’. Het bombardement was de aanleiding tot de capitulatie van Nederland. ‘We waren allen ook wát blij dat ’t was afgelopen’ zo schrijft Steffen in zijn verslag. Hij moet echter tot 23 juni 1940 wachten voordat hij huiswaarts kan keren. Het verslag wordt opgenomen in de Verzameling kleine aanwinsten betreffende de Tweede Wereldoorlog.

Herinneringen uit de mobilisatie dagen en de oorlog over Nederland

’t Was de 28 ste augustus van ’t jaar 1939 toen de mobilisatie uitbrak in Nederland en wij allen werden opgeroepen. ’t Betrof in onze familie drie personen, zwager Johannes van der Woude, broer Theun en ikzelf. Broeder Theun was onder de wapens voor zijn nummer en had goed de helft van zijn diensttijd om en werd toen 9 maanden gediend bij ’t wapen der infanterie. Maar de morgen van de 28 ste augustus moesten Joh. en ik ook weg om dienst te nemen in ’t Nederlandsche leger en onze plaats van opkomst was Utrecht. Des morgens vroeg was alles al in de weer. Paarden moesten worden geleverd en wij moesten ook weg. Wij zijn des morgens om 11 uur afgereisd per tram naar Heerenveen en verder per trein naar Utrecht waar we omstreeks 4 uur aankwamen. Toen moesten we ieder naar een afzonderlijke plaats in Utrecht waar we onze inkwartiering kregen in een school. Ik kwam in een Joodsche school terecht na een uur gezocht te hebben en Joh. in een andere school in Utrecht. Vandaar hebben we elkaar in 6 weken niet weer gezien. Maar door schrijven van en naar huis werden we weer met elkaar op de hoogte gebracht. En lagen we kort bij elkaar. Ik was na drie dagen in de school geweest te zijn verhuisd naar een fort genaamd Hoogdijk, een van de forten van de vesting Utrecht (Oostfront Holland). En Joh. lag toen in Bunnink en was daar inkwartierd in een burgerwoning. Zodat we toen weer contact met elkaar kregen. Na ruim drie weken op ’t fort Hoogdijk moesten we weer verhuizen en kwamen toen terecht op ’t fort Rijnauwen, een half uur verder Dat was het grootste fort van de vesting Utrecht. De zogenaamde (Bomvrije Kazerne). Wat voor deze moderne tijd niet veel meer zeggen wou. Want deze forten dateerden uit de jaren 1870-80. En waren voor deze moderne oorlog niet meer bestand voor de vijand met de moderne wapens en vliegtuigen. Maar we zaten er nogal lang veilig diep onder de grond.

2 Na daar 6 weken te hebben doorgebracht zijn we weer verhuisd naar ’t fort Vechten weer een half uur verder. Daar hebben we de winter doorgebracht. De winter van 1939 op 40 was buitengewoon streng. We hadden daar onze huisvesting in een barak op zolder. ’t Was er soms erg koud. We hadden 4 dekens dat deed ons goed. Eten en drinken was uiterst best, daar viel niks op aan te merken. Ons verlof was zo geregeld dat we om de 14 dagen twee dagen verlof hadden. Als er weer echt iets aan de hand was werden de verlofen weer ingetrokken en zat je weer voor onbepaalde tijd van verlof uitgesloten. De dienst die we hadden was weinig van betekenis, en weinig voor afleiding. Wacht hadden we zoo een keer om de drie weken. In de winter was dat geen grap hoor, tevens moesten we patrouille lopen van ’s avonds 6 tot ’s morgens 6. Op spionage er werden veel lichtkogels ’s nachts waargenomen. We hebben wel nachten meegemaakt dat we aan de middel toe door de sneeuw zakten, dat waren dan ook lang geen grapjes. Vele malen kwamen er weer orders van hooger hand dat we ons klaar moesten houden dat we moesten vertrekken naar elders en dan zat je weer een paar dagen met je bedden opgerold en ingepakt, maar telkens weer bleven we weer hangen totdat we in ’t laatst van april op een zondag weer klaar zaten bericht kwam om te vertrekken. Zo kwamen we toen terecht op fort De Bilt dat gelegen lag op de rand van de stad Utrecht. Daar was voor ons een beetje meer afleiding want de drukke verkeersweg van Utrecht naar Zeist en Amersfoort liep er tussendoor. Daar zag je door de dag wel duizend auto’s rijden, een gekrioelen in elkaar om, ’t was om er gek van te worden. maar in der tijd word de toestand steeds dreigender, tot dat op zekere morgen van de 10 de mei we worden wakker gemaakt he ’t Waren allemaal vliegmachines in de lucht en ons afweergeschut was al in actie. Er word door de radio rond geroepen dat Duitsland ons was aangevallen.

3 Overal werden al parachute springers uitgegooid. Wij allen moeten onmiddellijk onze stellingen innemen. Alles was in de war want oorlog daar wou niemand eigenlijk op aan maar ’t was zo. Want een stukje op de namiddag kwamen er al enigen jongens bij ons aan die hadden al kennis met de vijand gemaakt en waren al geheel in de war. Die 10den mei was op een vrijdag en de zaterdagavond kregen wij bevel naar Rotterdam te gaan. Dat was een klap die we kregen, want we zagen dat de vijand Rotterdam al genaderd was. Des ’s avonds word alles op auto ,s geladen en om 10 uur werd afgereden met de bemanning van ’t 2 de bataljon Infanterie en een zware mitrailleur compagnie waarbij ikzelf was uitgerust als afstandsmeter. Toen we een eind gereden hadden jn ’t donker konden we Rotterdam al zien branden. Want dat was al enige malen gebombardeerd en er waren al branden ontstaan. We reden over Gouda en zo kwamen we des morgens half drie in Rotterdam aan dat was Pinksterzondag, de dag die mij nooit vergeten zal in mijn leven. We arriveerden op Kralingen daar werden we afgeladen en werden met ons stuk opgesteld bij een zenuwarts in de tuin. Alles lag daar nog in de nachtrust, maar de mensen kwamen al gauw voor ’t licht toen ze ons hoorden. We werden daar op een goede wijze ontvangen. Al spoedig werd ons gelegenheid gegeven te wassen en gebruik te maken van de WC. Want een stad kun je niet vergelijken met een dorp voor zoo ver wij dat gewoon waren. Daar maak je van de gelegenheid gebruik op zoo’n manier. Een kistje sigaren werd ons ter hand gesteld. Maar allen waren al onder de indruk wat ons te wachten stond. Om negen uur kwam er een bevel om uit stelling en moesten we de stad door. We moesten onze openstaande ramen dichten want daar achter was ’t lang niet vijlig. Zoo waren we enige honderden meters de stad in.

4 Aan beide kanten patrouilleerden soldaten langs de huizen. Als de ramen op ’t eerste waarschuwen niet gesloten werden, en daarachter zich menschen schuil hielden werd er onmiddellijk op geschoten. Maar daar tegenover dat hier en daar ook op je werd geschoten vanuit de huizen. ’t Was een gevaarlijke taak die wij te vervullen hadden. Opeens verscheen een groep vijandelijke vliegtuigen boven de stad. Onmiddellijk gingen we tot de aanval over en beschoten de toestellen. Deze beantwoorden ook met hun vuur op ons terug en wierpen bommen af boven de stad. Een kwam zodanig op de straat terecht dat enige soldaten en onze commanderende Kapitein Brouwer gesneuveld werden. Dat was de eerste ontmoeting die we met de vijand maakten. Door dat projectiel sloeg een gat in de straat van wel 6 á 7 meter doorsnee, en wel drie meter diep. Van straatstenen en grond was weinig meer te zien. Van onze Kapitein waren enige lichaamsdelen afgerukt. Sommige jongens kon je niets aan zien, ze zijn door de geweldige druk tegen de straat gesmakt en op ’t slag gedood. Dat was verschrikkelijk zoo ’n schouwspel te aanzien. Je stond erbij te sidderen en de koude rillingen gingen door merg en been. Maar de compagnie trok verder de stad in. Hier en daar zag je de huizen waar de vijand zijn prooi al op had laten vallen. Vele ruiten moesten ’t ontgelden waar zoo ’n bom terecht kwam. Op onze tocht zoo door de stad wordt ons door de bewoners van alles gegeven ’t was haast net of ging je langs een lopende band sigaren sigaretten, bonbons, brood en andere eterij alles kon je maar krijgen. We hadden al gauw onze broodzak vol met dat alles. Maar tegen de middag werden alle giften van de burgerij verboden, daar er sprake was dat er vergiftige sigaretten en bonbons in omloop waren. En toen durfden we ook niks meer aan te nemen. We kregen toen ook al zoo ’n beetje een oog over de menschen en dat alles niet uit ’t hart werd gegeven. Mijn opi enie zal ik hier maar niet naar voren brengen.

5 Zoo kwamen we tegen de avond in de haven van Rotterdam terecht en kregen ons inkwartiering in de Zeevaartschool. Tegen de avond omstreeks 4 uur moesten we stelling maken in de haven aan de Hudson kade aan de oever van de Waal. Vlak tegen ons over aan de andere kant van de Waal lag ’t vliegveld Waalhaven welke wij onder vuur moesten nemen. Daarop lande de vijand en liet er parachute springers op dalen. Al spoedig kregen we de vijand in zicht en openden we ’t vuur met onze zware mitrailleurs op hen. Ook andere stukken openden hun vuur. We kregen een kleine groep voor de vuurmond en er werd op los geknald dat van dat hele groepje was dan ook geen man meer over. Sommigen van hun probeerden nog weg te kruipen. Maar onze schutter drukte weer in en ’t gerattel hervatte kwam weer, ook deze bleven liggen. Want we wisten dat alles wat daar zich bevond was prooi voor onze mitrailleur want deze was goed ingeschoten. Ook de parachute springers vielen in ’t vuur van onze stukken. Tot dat opeens 12 tweemotorige bommenwerpers op ons afkwamen kregen we een hachelijk ogenblik. Eerst cirkelden ze een paar maal om ons toe, en gingen toen tot de aanval over. Ze kwamen in glijvlucht recht op ons aan duiken en wierpen de bommen op ons af. Doodsbenauwd kropen we van angst in elkaar en moesten we ons lot af wachten. We hingen elkaar aan de karabijnen?. Maar gelukkig de bommen misten hun doel. Velen vielen vlak voor ons in ’t water had ook een ’t geluk gehad de kade te raken dan waren wij alle twaalf man verloren geweest. maar God dank niemand word van ons gewond. Toen de vliegtuigen weer weg waren doken we weer op uit onze kuilen. Ik ging op de rand zitten ’t was net of alles naar elkaar toe kwam. Zo waren de zenuwen overstuur en ik niet meer kon staan.

6 Twee van onze kopstukken hebben mij daar weg gehaald en in een havenloods gebracht. Ik bleef heel goed bij ’t verstand maar lopen ging niet. Na wat te hebben gewassen en uitgerust kwam alles weer iets in bedaren. En men achtte ’t maar beter terug te gaan naar de school waar we waren ingekwartierd toen ik daar kwam was alles donker, lichten mochten niet branden. Ik had ook al zin aan iets eten, er stond nog een grote tobbe met eten. Daar heb ik nog wel van gegeten wat of ’t was zal ik maar niet vertellen en het smaakte nogal aardig goed. Intuschen arriveerden er een koppel Engelschen zoo ’n 60 man en daar heb ik de nacht bij doorgebracht in een hoop dekens die daar heen gegooid waren daar ben ik toen ingekropen tot de volgende morgen. De volgende morgen kwam onze stuks commandant Sergeant J Kemkers bij mij of ik weer naar de jongens kon en een boodschap over te brengen. Ik kreeg de gegevens van onze Kapitein die als opvolger over ons stond. Onze jongens hadden een andere stelling gekregen en daar moest ik op aan. De weg werd mij aangeduid op de stafkaart die ik moest volgen. Ons stuk bevond zich in ’t stadpark ook gelegen aan de linker Maas oever. Toen ik dan eindelijk weg zou gaan zat de lucht weer vol vliegmachines. Ik dacht bij mijn eigen blijf maar hier want in de school was een schuilkelder aanwezig. Ik ging terug en in de kelder. Zoo af en toe eens even kijken of ’t zoo ’n beetje rustig was in de lucht totdat ik constateerde dat de vliegtuigen weg waren stak ik eindelijk van wal. Mijn karabijn in de hand in jagende houding sjouwde ik de haven in en door. Mijn wachtwoord was met de rechterhand op de borst slaan. 7 In de haven zat ’t Corps Mariniers en die heeren waren niet makkelijk, ze stonden onmiddellijk met de spuit voor je en dan moest je het wachtwoord maar weten. Eindelijk door zoeken en vragen kreeg ik dan ’t park in de gaten waar onze jongens moesten zijn. Nog een klein eindje lopen over een open vlakte dan was ik bij de ingang van ’t park. Daar eindelijk gekomen stond ik bij de jongens voor een groot ijzeren hek. Daar moest ik door. Even bleef ik staan en dacht hier kan ook wel iets anders zitten. Maar ik zette er op in me nog even te hebben vermand en met de vastberadenheid als er iemand is die ik niet vertrouw dan leg ik hem neer voor dat ’t laat is. ’t Waren er allemaal paden de een liep hier en de ander daar. Eindelijk kreeg ik ’t spoor van de mitrailleur kar in ’t zicht op de grond dat ging ik volgen en ja eindelijk vond ik mijn makkers terug ik was ook maar wat blij dat ik eigen volk weer trof. In dat park stonden 2 café ’s. ’t Eene was voor ons voor inkwartiering voor ons stuk en ’t ander van 3 verdiepingen hoog waren alle ruiten stukken. Daar was nog alle voorraad aanwezig en daar hadden we alle keus in. Je kon krijgen wat je maar hebben wou, er was bier en limonade in overvloed. Daar zijn we gebleven tot de overgave van ’t leger. Des Dindag ’s was ’t toen de stad werd gebombardeerd maar daar voor zaten wij aardig veilig Wel werden we soms met mitrailleurs uit de vliegtuigen beschoten maar daarvoor hadden we een goede dekking in dat eene Café was ook een schuilkelder en dat was dan ons aangewezen plaats of er weer gevaar dreigde. ’t Was allemaal vliegtuigen toen op een moment telden we 75 tegelijk boven de stad. De bommen werden als een regen op de bevolkte stad afgeworpen. ’t Was een lawaai zoo ooit iemand zich kan indenken. Je hoorde de bommen ontploffen, en ’t donderend geluid van ’t instorten van de gebouwen.

8 Ontzettende panieken moeten hier een rol spelen in zoo ’n open stad. Duizenden hebben hier hun leven moeten laten. Ja men sprak zelf van 30.000 doden en even zooveel gewonden. Maar juiste cijfers zijn tot nog toe nooit bekend gemaakt. De verwoesting die in een paar uur werd aan gebracht is enorm. Volgens gegeven berichten was ’t verwoeste gedeelte 280 Ha groot. ’t Was in hoofdzaak de binnenstad die ‘t moest ontgelden. Overigens waren in alle straten in de omgeving de ruiten verbrijzeld. ’t Glas lag haast een voet hoog over de straten. Later had je een ruim zicht over de ruïne. Je zag auto’s rijden van de ene kant van de stad naar de andere… Vele auto’s en bussen waren uitgebrand of in ’t water gereden. Schepen in de vaarwaters in de stad waren gezonken en vernield. Onder de grond kon je niet wezen. Zoo ’n scherpe lucht ging er uit de puinhopen opstijgen. Om nog even een paar stappen terug te doen werdt Dinsdag omstreeks 4 á 5 uur ons leger gecapituleerd en gedwongen de wapens neer te leggen. Daar van gaven we direct geen gehoor want we wisten maar al te goed wat er gaande was in ons Nederland en dat alles niet ging zoo ’t wezen moest. Hier aan werd toen gehoor gegeven toen ’t ons van hoogerhand werd opgedragen. We waren allemaal ook wel blij dat ’t was afgelopen, maar toen werd er gezegd dat we krijgsgevangen werden gemaakt. Maar dat gebeurde niet. We moesten ons wel in onze inkwartiering verzamelen in de Zeevaartschool. Later in de avond omstreeks 8 uur moesten we ons verzamelen op de Maaskade waar ons bataljon en de Compie van de 2-2-25 K L bij elkaar verzameld werd. Daar lagen we met nog wat bullen bij ons op de straat. Maar wat er gebeuren zou wist niemand ’t werd negen uur ’t werd tien nog wisten we nergens vanaf. Sommigen zeiden we gaan naar Utrecht terug. Tot dat eindelijk 11 uur een bericht kwam dat ’t hele Bataljon zich in ’t park moest verzamelen. En dan moesten we de nacht door brengen onder de bloote hemel en slapen in ’t gras. 9 Onder bewaking van de Duitsche schildwacht. De volgende morgen circa 4 uur werd ik wakker en was zoo koud als een steen. Onze dekking die we toen nog hadden was een deken en de overjas. ’t Hoofdkussen welke ik nog had was een koffer. Zoo’n nachtelijke slaap in de open lucht valt niet mee. We begonnen ook al gauw wat rond te scharrelen om weer iets warmer te worden. Een klein poosje gelopen te hebben kwamen we op een plaats in ’t park waar 40 dode soldaten lagen, om daar begraven te worden. Er waren twee gemeenschappelijke graven gedolven. Van de 40 dooden waren 29 Duitschers en 11 Hollanders waarvan 3 mariniers. Deze mannen waren naar ons toe leek bij ’t bombardement gesneuveld. Verschillenden hunner waren verbrand en verkoold, en sommigen hadden nog stukken steen in ’t gezicht zitten of ledematen ontbraken. ‘t was verschrikkelijk dit te aanschouwen. Als men dan even na denkt en je laat je gedachten even terug gaan naar hun die achter blijven, dan ril je en je wordt er koud van. Later op de dag ben ik met nog een paar jongens nog eens gaan kijken. Toen hadden ze er mee aan ‘ t werk geweest, de randsel, leerwerk en zoo kortom de geheele uitrusting was er af gehaald. En de particuliere eigendommen lagen op de borsten van de gesneuvelden, zooals ringen beurzen horloge’s en bij sommigen zagen we nog de portretten van vrouwen en kinderen liggen. Toen ben ik weg gegaan wand dat was bijna haast niet uit te staan. Als je dan ook terug denkt aan je eigen vrouw en kinderen. Wat er verder dan ook mee is gebeurd kan ik niet zeggen. Tegen de avond moesten we weer vertrekken en kwamen weer in ons oud kwartier van de Zeevaartschool terecht. Daar was onze slaapgelegenheid de houten vloer. Wij Hollanders lagen boven en de duitschers lagen onder. Elke dag reden nieuwe duitsche troepen de stad binnen met zware tanks auto’s en moters.

10 Toen begon je al te ergeren en wraak te zetten tegen die indringers. Want wij waren natuurlijk ontwapend en voelden ons machteloos tegen over die bandieten. Ons eten was toen al met al de helft minder bij dat we gewoon waren. En we mochten niet buiten komen. We stonden nog onder ons eigen lijding, maar die kregen opdracht van Jan Boesgroen natuurlijk en knepen hem ook als de ziekte. Onze Bataljon’s Comandant was Mozes Nijeveen een Jood en in vredestijd dreunde alles als hij begon te bleéren, maar toen de Duitscher er was hoorde men Moo ’s niet meer. Hij stond om een hoekje te loeren en liet een ander de woorden met de duitschers wisselen. Hij heeft stellig ook gedacht wat zal er nu met Moo ’s gebeuren. De volgende dag moesten we weer verhuizen, weer de hele dag om gesjouwd kwamen we dan eindelijk op ons aangewezen plaats terecht in een Roomsche school in Rotterdam (west) Waar we zoo ;n dag of tien zijn gebleven weer slapen op de houten vloer. ’s Morgens bij ’t opstaan kraakten je de beenen er over zoo zeer deed alles je. We mochten de straat niet op en hingen wat uit de ramen en deuren. Eten was er slecht maar van de duitschers hadden we geen last. Van huis hoorden we de eerste dagen ook weinig alle verkeer was verbroken. Toen een paar dagen later kwamen er al eens ouders op zoek naar hun kinderen. Nu er dan gelegenheid bestond gaven we die een bericht mee naar ’t Noorden om ze daar te posten. Zoo kwam dan eindelijk de verbinding met de familie weer tot stand en werd je weer iets van elkaar gewaar hoe of alles nog was. want je gedachten waren steeds bij hen die thuis waren. En je wist niet wat er thuis gebeurd was. Zoo waren mijn gedachten bij broer Theun die lag op de duitsche grenzen en Zwager Joh. op Schiphol. Wat daar mee gebeurd was, ik vreesde ’t ergste. Maar gelukkig dat viel later mee. Een paar dagen later mochten we de stad in ’s avonds na 4 uur. 11 Daarvan werd natuurlijk gebruik van gemaakt elf uur moesten we weer binnen zijn. De eerste paar dagen ging al behoorlijk goed, maar later was ’t soms drie vier uur. Dat binnen komen ging ook al weer zonder hindernis. De zaak was ook al weer zoo voor elkaar dat de een de ander er wel doorsleepte natuurlijk. We hadden al spoedig een plaatsje gevonden waar ’t gezellig en mooi schuin toeging, en dat was dan ’s avonds al heel gauw weer ons aangewezen doel. We hadden er reuze schik voor weinig geld. Twaalf dagen na de bezetting van Nederland zijn we weer uit Rotterdam vertrokken terug naar Utrecht. We moesten toen naar Schiedam lopen om van daar per trein naar Utrecht te reizen. Daar dat vanaf R dam niet meer intact was aangezien de doorstaande bombardementen. We kregen toen ons verblijf in de Kromhout Kazerne waar we met de duitsche militairen moesten wacht kloppen en uitrustingen van ons leger bij elkaar brengen. Daar van ging ieder hem smeeren als ie de kans zag. Wat hadden wij daar ook aan bij slot van rekening. Daar zijn de eersten van ons afgezwaaid, ik dacht ook weg te komen, maar ne hoor. Er was op ons bedrijf geen werk en moest blijven, maar we hadden ’t mier er aan toen, vooral toen een menigte afzwaaide. Na een dag of 10 in de Kromhout Kazerne geweest te hebben werden we weer overgeplaatst naar ’t fort Vechten, waar we de winter ook hadden doorgebracht. We hadden ook niets te doen. Daar werden we ingedeeld bij ‘t 62 ste regiment bewakingstroepen. Onze oude Kokken waren in tijd ook afgezwaaid zoo dat we zelf ons van eten moesten voorzien, daar ging dan de dag zoo ’n beetje mee heen, en ’s avonds in de stad nog eens een paar glaasjes bier pikken. Na een week op fort Vechten te zijn geweest, moesten we weer verhuizen naar ’t fort Ruigenhoek. Daar nog een dag of zes te zijn geweest weer verhuizen naar ’t fort Hemeltje daar ben ik nog 4 dagen geweest toen we moesten tekenen voor opbouwdienst of Duitschland. Gelukkig kreeg ik bericht van huis dat ik kon afzwaaien. En ben de 27 ste juni 1940 afgezwaaid op ’t fort Hemeltje. En heb hem de ’s morgens om 6 uur voor goed gesmeerd en afscheid genomen van hen die toen nog moesten blijven. En was zeer blij dat de zaak was afgelopen. St Stoker m e 25 K L te Utrecht.