Opsterlânske Kompanjonsfeart

De Opsterlânske Kompanjonsfeart (Opsterlandse Compagnonsvaart) is een lange, rechte vaart in Zuidoost-Friesland, gegraven in de 17e eeuw. Er is gestart met graven in 1630 en het heeft ongeveer 200 jaren geduurd om deze 34 km lange kompanjonsfeart gereed te maken. In 1767 is Wijnjeterp bereikt. De vaart werd gegraven voor het vervoeren van turf, die werd gewonnen uit de uitgestrekte hoogveengebieden in Opsterland.

In die tijd was turf de belangrijkste brandstof voor huizen, bakkerijen, brouwerijen en industrieën, vooral in Holland. De vaart maakte het mogelijk om turf vanaf plaatsen als Wijnjeterp, Duurswoude, Gorredijk en Lippenhuizen via de Boorne en later het Prinses Margrietkanaal richting de Randstad te vervoeren.

De “Kompanjons”
De naam “Kompanjonsfeart” verwijst naar de samenwerking (“compagnie”) tussen de Staten van Friesland en particuliere investeerders (vaak rijke kooplieden uit Holland en lokale grootgrondbezitters). Zij legden samen het kanaal aan en investeerden in de turfwinning, in ruil voor winst.

Turfwinning
– Hoogveen werd eerst ontwaterd via sloten en petgaten.
– Turf werd gestoken, gedroogd en in bootjes via de Kompanjonsfeart afgevoerd.
– Het turfgebied strekte zich uit van Wijnjewoude (waar begint het?) tot voorbij Gorredijk.
– Turfwinning zorgde voor werkgelegenheid, maar ook voor grootschalige landschapsverandering: er ontstonden petgaten, langgerekte kavels en veenkoloniale nederzettingen.

Erfenis vandaag
De vaart is nog altijd zichtbaar en speelt nu een rol in recreatie, erfgoed en landschapsidentiteit. Wijken als de Jan Hofswyk, Brouwerswyk en Andries Bonneswyk zijn ontstaan in de context van deze veenontginning.