Weer

mei 23 - di
Jubbega, NL
11°C

Agenda

Basisschool Viswedstrijd.

24-05-2017

Sponsoren

Geschiedenis


historie – ontstaansgeschiedenis –  straatnamen –  historische Fotos – Films

Het ontstaan en de geschiedenis van het mooie plaatsje Wijnjewoude.

Pleistoceen.
Voor de ontstaansgeschiedenis van Wijnjewoude moeten we terug in de tijd die de geologen het Pleistoceen noemen en die duurde van 1,8 mil. j.v Chr. tot zo’n 10.000 j.v.Chr. Een tijd waarin ijstijden en interglaciale periodes elkaar afwisselden. Enorme ijsmassa’s uit het noorden drongen afwisselend ons land binnen en trokken zich weer terug. IJstongen schuurden de bodem uit en wierpen aan weerskanten hoge wallen (zijmorenes) op. In de interglaciale periodes wanneer het ijs zich weer terugtrok veranderden de eerder uitgeslepen dalen in enorme smeltrivieren.

Zo is o.m. het beekdal van het Âld-Djip (Koningsdiep) ontstaan. Het gesmolten ijs liet een afzettingslaag van keileem (liem) achter, die in Wijnjewoude hier en daar dicht aan de oppervlakte komt.

Pingoruïnes.

Pingoruïnes

Een ander overblijfsel uit deze tijd zijn de z.g. Pingoruïnes (in het Frysk “Dobben”). Grotere en kleinere poelen die willekeurig verspreid in het landschap liggen, vaak omgeven door een verhoogde aarden ringwal.

Deze dobben zijn ontstaan in een tijd toen we hier een toendraklimaat kenden, met een bevroren ondergrond (permafrost). Toegestroomd water bevroor in de bodem, zette uit en duwde de bovengrond omhoog.. Hierdoor ontstonden ijsheuvels. In de loop van de tijd gleed de omhooggedrukte grond langs de ijskern af, waardoor een ringvormige aarden wal ontstond.

Toen de ijskern nadien smolt, bleef er een ringvormig meertje achter.
Dobben vinden we o.a. nog op de Duurswouder heide en aan weerszijden van de Mounleane.

Holoceen.
Na de laatste ijstijd, het Weichselien, zette de wind o.a in Drenthe een dikke laag dekzand af op het keileem. In het begin van het Holoceen, zo’n 10.000 j.v.Chr., werd het warmer en natter. Vanuit het z..g.n. Drents plateau stroomde het water door rivieren, zoals de Boorn, de Tjonger, de Linde en de Lauwers naar zee.

In het begin van onze jaartelling zag Fryslân er ruwweg als volgt uit.
In het oosten de hoge zandruggen, de uitlopers van het Drents plateau, met daartussenin beekdalen en rivieren.
In het westen en zuidwesten ontstond door de overvloedige toevoer van water van de hoger gelegen gebieden een moeraslandschap met dikke veenpakketten
In het noorden werd door de hoger wordende zeespiegel lagen zeeklei afgezet.
Eeuwenlang heeft deze situatie geduurd. Pas door menselijk ingrijpen is het landschap veranderd. Door o.m.vervening, ontginning, kanalisatie van rivieren, het graven van kanalen en vaarten, heeft ons landschap de laatste paar eeuwen een heel ander aanzien gekregen.

De eerste bewoners.
Vuistbijl van WijnjeterpEen van de oudste bewijzen van menselijke aanwezigheid die ooit in ons land is gevonden is de z.g.n vuistbijl van Wijnjeterp. Voor de oorlog vond H.v.d.Vliet bij de Poasten onder Wijnjeterp in een keileemlaag een ruw bekapt stuk vuursteen. Geleerden schatten de leeftijd tussen de 150.000 tot 60.000 jaar. Waarschijnlijk behoorde de gebruiker tot het Neanderthalertype of zelfs tot een nog oudere vertegenwoordiger van de Homo-Sapiens.
In het streekmuseum in Gorredijk is de vuistbijl te bezichtigen.

Zo’n 15.000 jaar geleden zwierven in onze omgeving nomadische jagersstammen rond, die we gemakshalve aanduiden met rendierjagers. Het waren jagersvolken, die vooral jacht maakten op rendieren, maar ook mammoeten, wolharige neushoorns en andere thans uitgestorven diersoorten zwierven op de steppe rond en vormden een mogelijke prooi voor de jagersstammen. Waarschijnlijk maakten ze tijdelijke kampementen op de hoge zandruggen en aan de oevers van de rivieren om van daaruit te jagen en te vissen. Het klimaat en het landschap toentertijd is te vergelijken met dat van de huidige toendra’s in Noord-Europa.
Op de heide van Duurswoude en aan de oevers van it Ald-Djip zijn karakteristieke vuurstenen werktuigen uit deze periode gevonden.
Zo’n 5000 jaar geleden was het klimaat warmer geworden. De ijzige toendra had plaatsgemaakt voor loofbomen, struiken en andere begroeiing. De rendierjagers hadden hun domicilie verplaatst naar het hoge Noorden en hun plaats werd ingenomen door stammen die dieren hadden gedomesticeerd en primitieve landbouw bedreven. Het waren geen zwerversvolken meer, maar ze woonden in permanente primitieve huissteden. Ze maakten primitieve aarden urnen en bekers om hun voedselvoorraden op te slaan. Dit bekervolk begroef zijn doden in aarden grafheuvels. In Drente leefden omstreeks dezelfde tijd de hunebedbouwers. Het is niet ondenkbaar dat beide volkeren in contact met elkaar stonden en later zelfs in elkaar zijn opgegaan. Op de heide bij de Poasten is ooit een grafheuvel van het Bekervolk gevonden, die helaas is afgegraven. De meeste vondsten uit die tijd bevinden zich thans in het Fries Museum in Leeuwarden.

Uit het begin van onze jaartelling is weinig bekend. Er zijn weinig vondsten uit die tijd. Waarschijnlijk beperkte de schaarse menselijke bewoning zich tot de hoge zandruggen, waar men in kleine primitieve boerennederzettingen probeerde het hoofd boven water te houden op weerbarstige en onvruchtbare grond, of misschien zwierven er alleen groepjes jagers rond op de uitgestrekte woestenijen.
We zitten dan ondertussen in de ijzertijd. En met de ijzertijd komen we ook zo langzamerhand bij de Germaanse stammen terecht en dus ook bij de oorspronkelijke Friezen.
We weten niet of de Romeinen zich hier hebben laten zien. Er is geen geschiedschrijving over. Waarschijnlijk waagden ze zich niet in de gevaarlijke moeras- en veengebieden

De geschiedenis van het dorp.

Kerkje van Duurswoude

Kerkje van Duurswoude

In een oud manuscript uit 1315 duikt de naam Weningawalda op als benaming van de streek rondom Wijnjeterp. Dat wil niet zeggen dat dat het oudste bewijs is van het bestaan van een  nederzetting. Het kerkje van Duurswoude dateert uit  omstreeks 1250 en is daarmee de oudste kerk van Opsterland. De oorspronkelijke bouwstijl is Romaans, met ronde bogen; spitsboogvensters duiden echter ook op gotische invloeden. De kerk is opgemetseld met z.g.n. Oude Friezen. Het woord wald of woud is een veel voorkomend achtervoegsel in plaatsnamen in onze omgeving. Aan de term “woud” verbindt de overlevering de begrippen woest, ontoegankelijk, afgelegen en gevaarlijk. Het duidt op de moerasbossen langs het Koningsdiep, maar evengoed op de bosschages met eikenbomen op de hoge zandruggen.
Het heeft geen relatie met de bossen zoals we ze nu in onze omgeving kennen.
De huidige bossen zijn pas in de 18e en 19e eeuw aangeplant.
De naam Opsterland komt van het oude “Upsateraland”. Vrij vertaald betekent het: “Daar waar men hoog woont”. Ook de naam “Haudmare”, waaraan de provinciale weg N381 zijn naam ontleent komt men voor het eerst tegen in de 14e eeuw als aanduiding van deze streek. Het betekent: “hoofdstroom”. Die stroom is dan de rivier De Boorn oftewel Het Koningsdiep, hier bekend als “It Ald-Djip”.

Ons dorp na de Middeleeuwen.
Onze dorp was één van de boerennederzettingen op de zandrug ten zuiden van het Koningsdiep. Onafzienbare heidevelden bepaalden het landschap ten noorden en zuiden van deze zandrug. Naar het noorden gingen die over in de moerasbossen langs het Koningsdiep. In het zuiden lagen de ontoegankelijke hoge venen. Op de zandrug werd door de boeren hoofdzakelijk rogge en boekweit verbouwd. Het vee, hoofdzakelijk schapen en koeien, liet men grazen in de gemeenschappelijke scharren.

(Het natuurgebied het Wijnjeterper Schar ontleent zijn naam aan zo’n gemeenschappelijk boerenbezit). Akkerbouw was het hoofdmiddel van bestaan. Vee diende vooral voor de noodzakelijke mest om de arme zandgrond vruchtbaar te maken.De hoge zandrug was tevens de enigste verbindingsweg vanuit Drente naar de lager gelegen gebieden van Fryslân.
De (zand)weg liep vanaf de landweer (oud verdedigingswerk) van het Allardsoog, via de Oude Drentse Weg, langs de Duerswoldemerwei, Merkebuorren en Binnenwei richting Hemrik en Lippenhuizen.
Ter verdediging tegen invallen en plunderingen in de tachtigjarige oorlog werden bij Een de Zwartendijkerschans en ten zuiden van Duurswoude de Breebergschans aangelegd. De eerste is gerestaureerd. Van de Breebergschans herinnert alleen de naam Breeberchspaad nog aan het oude vestingwerk in die roerige tijden. Van veel krijgsgeweld hier is echter geen sprake geweest.

Tramgbrege met brugwachterswoning

Tramgbrêge met brugwachterswoning

Vervening en graven van de Feart.
Rijke patriciërs (vooral de landadel uit Beetsterzwaag) kochten in het begin van de 18e eeuw grote stukken hoogveen op. Ze vormden gezamenlijk de z.g.n. compagnons. Doel was om de ontoegankelijke hoogveengebieden te ontsluiten en commercieel te ontginnen voor de turfwinning.
Vanuit Gorredijk werd de Opsterlandse Compagnonsvaart verder oostwaarts gegraven. In 1767 werd Wijnjeterp bereikt en in 1783 was men tot in Ooststellingwerf gevorderd.
De Feart had twee functies:
1.Afvoerkanaal om het ontoegankelijke hoogveenmoeras te ontwateren.
2.Transportroute om de turf af te voeren.
De turfroute, de bekende toeristische vaarroute van Gorredijk naar Appelscha, herinnert nog aan de laatste functie.
De vervening bracht ook nieuwe bedrijvigheid met zich mee. Vele arbeiders waren nodig voor de ontginning. De turfschepen voeren af en aan om Holland van de nodige brandstof te voorzien om de huizen te verwarmen. Na de vervening ontstond langs de Feart de karakteristieke lintbebouwing van boerderijen en (veen)arbeiderswoninkjes, waarvan gelukkig nog enkele bewaard zijn gebleven. De boeren hadden vaak diepe, smalle kavels grond op het afgegraven hoogveen. Tot na de 2e wereldoorlog tufte de stoomtram over de Trambrêge van Gorredijk naar Oosterwolde v.v.

De Nieuwste geschiedenis.

bruggetje over koningsdiep

Bruggetje over koningsdiep

Na de 2e wereldoorlog kwam de ontwikkeling van het platteland in een stroomversnelling terecht. Het oude agrarische karakter veranderde. Landbouwmechanisatie en schaalvergroting zette het traditionele “buorkjen” op zijn kop. De ruilverkaveling “Het Koningsdiep”,  in de jaren vijftig en zestig uitgevoerd,  veranderde drastisch eeuwenoude waterlopen en herschikte het boerenland. Paden en weggetjes legden het loodje in de strijd tegen efficiency en schaalvergroting om plaats te maken voor geasfalteerde ontsluitingswegen. Het meanderende Koningsdiep werd gekanaliseerd om een betere afwatering te waarborgen. De zuivelfabriek aan de Feart bij het buurtschap Klein Groningen moest door de veranderende omstandigheden in de zuivelindustrie het loodje leggen.

Ook de dorpskom veranderde. Door de toenemende welvaart na de oorlog en de groei van de bevolking was er een grote vraag naar nieuwe huizen. De uitbreiding van Wijnjeterp en Duurswoude concentreerde zich aan de zuidkant van de Merkebuorren, waardoor het oude beeld van het oorspronkelijke lintdorp geheel is veranderd. In 1973 werden beide dorpen na heftige discussies in de gemeenschap samengevoegd onder de naam Wijnjewoude. De provinciale weg, de Opper-Haudmare, houdt de visuele scheiding tussen de twee dorpsdelen nog in stand, maar de feitelijke scheiding tussen Wijnjeterp en Duurswoude wordt gevormd door de Loksleane. In de voormalige oude lagere scholen van beide dorpen zijn nu een garagebedrijf en een b&b/groepsverblijf gehuisvest. De toegenomen mechanisatie is er de oorzaak van dat veel werkgelegenheid in de landbouw verdween. Door de toegenomen mobiliteit en industrialisatie konden veel bewoners werk vinden buiten het dorp in met name de grotere plaatsen Gorredijk, Drachten en Oosterwolde.
Van een agrarische dorpsgemeenschap is Wijnjewoude de laatste 50 jaar veranderd in een forensendorp. Dankzij de fraaie ligging temidden van veel natuurschoon, de goede voorzieningen als middenstand, scholen en verenigingen blijft het gelukkig een aantrekkelijk woondorp.

De agrarische nijverheid neemt steeds verder af. Strengere milieueisen, schaalvergroting en beperkende maatregelen voor de bedrijfsvoering in gebieden die grenzen aan natuurgebieden, maken dat de agrarische sector onder druk staat. Agrarische bedrijfsvoering  en natuurbeheer zullen in de nabije toekomst steeds meer naar elkaar toe groeien. Het in uitvoering zijnde ROM-project Zuidoost Fryslân is hier een voorbeeld van.
Zo zal de oude kronkelige waterloop van het Koningsdiep opnieuw in ere worden hersteld en zullen moerasbossen langs de oevers opnieuw een kans krijgen.
Kortom Wijnjewoude is een dorp dat steeds weer aan verandering onderhevig is. Het koestert zijn rijke geschiedenis, maar staat open om veranderende inzichten en omstandigheden een kans te geven.

heide wijnjewoude herfstBos van wijnjewoude